Deze keer geen echte stand-van-zaken terugmelding, maar een open brief aan de minister van ontwikkelingssamenwerking, omdat de besluiten van minister Koenders over bezuiniging op financiering van ontwikkelingssamenwerking zo ontzettend ingrijpend zijn voor de mensen in Nepal en onze projecten daar:
Een minister is verantwoordelijk om zijn beleid actueel te houden. Zeker in een tijd waarin er, ondanks vele jaren werk en vele miljarden belastinggeld, zoveel kritiek wordt geuit op de resultaten die in ontwikkelingslanden worden geboekt. Je kunt met de beste bedoelingen het beleid voor Ontwikkelingssamenwerking willen bijstellen. Maar goede bedoelingen zijn maar één ingrediënt van goed nieuw beleid. Een ander belangrijk element is “rekenschap van ongewenste effecten”. Als het effect van nieuw beleid is dat er veel zeer ongewenste neveneffecten optreden dan mag gerede twijfel ontstaan over de wenselijkheid van ongewijzigd vasthouden aan het nieuwe beleid.
Waarom deze inleiding?
Onlangs zijn we enorm geschrokken. Tijdens een afstemmingsoverleg van vijf Nederlandse organisaties die allemaal in hetzelfde gebied in Nepal werkzaam zijn en allemaal behoren tot het zogenoemde particulier initiatief (PI), werd duidelijk wat de effecten van het nieuwe beleid van minister Koenders zijn voor ons werk in Nepal. In een paar woorden komt het erop neer dat Nederland op geen enkele manier meer geïnteresseerd is in de ontwikkeling van Nepal. Toch één van de allerarmste landen van de wereld en ook nog een zogenoemd postconflict land na 12 jaar burgeroorlog, 13.000 doden en een getraumatiseerde bevolking. Nu had een vorige minister van Ontwikkelingssamenwerking (Herfkens en ook PvdA) al besloten dat Nepal niet tot haar troetelkindjes behoorde. Haar collega Koenders doet er nu een schepje bovenop door de zogenoemde medefinancieringsorganisaties, waar ook onze organisaties kunnen aankloppen voor medefinanciering (max. 50% als we zelf in staat zijn om de andere 50% bijeen te brengen) via aangescherpte regels te dwingen om beschikbare middelen vooral in de door hem gekozen partnerlanden te besteden.
Verhoudingen zijn zoek
Er wordt geschat dat er in Nederland zo’n 10.000 kleine particuliere organisaties actief zijn op het terrein van ontwikkelingssamenwerking. Gelet op het kleine aantal van 30 partnerlanden en bijna allemaal in Afrika, zegt mijn natte vinger dat misschien wel zo’n 8.000 kleine particuliere organisatie (80%) met de zegen van deze minister en de Tweede Kamer hun werk mogen voortzetten met 0,15 % van het voor Ontwikkelingssamenwerking beschikbare budget (belastinggeld).
Een klein sommetje:
Totale begroting van Ontwikkelingssamenwerking: € 4,7 miljard = 100%
Beschikbaar voor medefinanciering: € 450 miljoen = 9,6%
Beschikbaar voor niet-partnerlanden: 40% van € 450 miljoen = € 180 miljoen = 3,8%
Maximaal voor het particulier initiatief: 4% van € 180 miljoen = € 7,2 miljoen = 0,15%
Wat is het PI?
Waarschijnlijk is het particulier initiatief het beste te omschrijven in termen van persoonlijke betrokkenheid van mensen, die geraakt door de armoede van medemensen in ontwikkelingslanden en door de vaak mensonwaardige levensomstandigheden die daar het gevolg van zijn, zelf in actie komen. Die zich erover verbazen dat met 0,8 % van alles wat we in Nederland met elkaar verdienen – met een bedrag tot 2010 van ruim € 5 miljard per jaar dus – aangevuld met vele miljarden van grote internationale ontwikkelingsorganisaties (bijvoorbeeld van de Verenigde Naties of de Wereldbank) zo ontzettend weinig wordt bereikt voor de mensen waar ze zelf contact mee hebben. Dat zijn mensen in ontwikkelingslanden die meer zijn dan anonieme cijfers uit statistieken: mensen met een naam en een gezicht. Daarbij gaat het om belangeloze persoonlijke inzet en betrokkenheid en niet om een goed salaris, een mooie carrière, een prachtige jeep met chauffeur, een airconditioned kantoor in de hoofdstad, sociale contacten binnen de groep expats en met de nationale elite en nauwelijks met de echte doelgroep: de armen in slecht bereikbare rurale gebieden.
Het kleine Nederlandse PI neemt in de wereld een heel bijzondere positie in. Er is geen land in het rijke Noorden waar zoveel mensen zelf de handen uit de mouwen steken en zelf letterlijk naast de mensen in het Zuiden gaan staan om ze te ondersteunen naar een betere toekomst. Daar kan Nederland trots op zijn.
PI beter dan professionals?
Nee, dat is het scheppen van een schijntegenstelling. Bovendien: zou dat kunnen met een verschil in financiële armslag van 99,85: 0,15? Dat is ook het oneerlijke in de discussies van de afgelopen jaren over de resultaten van ontwikkelingssamenwerking. De kritiek op zoveel professionele onkunde werd door professionals - en daar mag ook de minister en zijn hele ambtelijke organisatie toe worden gerekend – vaak afgeleid met verwijzingen naar het goedbedoelde amateurisme van het PI, waarvan de resultaten niet te kwantificeren zouden zijn. Maar waar praten we over? In het nieuwe beleid is 0,15% van de totale begroting van OS beschikbaar voor kleine particuliere organisaties die actief zijn in niet-partnerlanden: een bedrag van ca.€ 7,2 miljoen. Omdat het PI werkt met vrijwilligers zonder salaris wordt dat bedrag bijna volledig rechtstreeks besteed aan concrete hulp ter plaatse. Voor de eerste de beste professionele ontwikkelingsorganisatie of afdeling van het ministerie van OS is dat bedrag een schijntje van wat er nodig is voor salarissen, gebouwen, auto’s en andere overhead.
Waar het om gaat is dat grote organisaties en het PI onvergelijkbare grootheden zijn: zowel wat betreft schaal, als persoonlijke betrokkenheid en aard van activiteiten. En dus ook wat betreft resultaten. Macro gezien heeft 30 jaar ontwikkelingssamenwerking de armoede de wereld niet uit geholpen en is de kloof tussen het Noorden en het Zuiden alleen maar groter geworden. Micro gezien is het PI uitstekend in staat om precies aan te geven wat zij bereikt. Als voorbeeld onze eigen organisatie Sathsathai (Nepalees voor “samen”). Met een jaarbudget van gemiddeld € 100.000,--, waarvan ca. € 40.000,-- uit de ‘pot van Koenders’ via medefinanciering door ICCO en later Impulsis, hebben wij in 5 jaar:
. een bergregio met zeven dorpen in Nepal voorzien van een elektriciteitsnet, aangesloten op het nationale elektriciteitsnet, alle 5.000 aangesloten op het net en alle 40.000 inwoners voorzien van licht (5 lampen in huis);
. 1.200 gezinnen voorzien van een toilet en een rookvrij kooktoestel (doelstelling: in 2012 alle 5.000 gezinnen);
. 116 tweejarige alfabetiseringsklassen georganiseerd waardoor 2.900 vrouwen leren lezen en schrijven (om deze investering te verduurzamen worden in april aanstaande 30 bibliotheekjes ingericht, zodat de vrouwen hun nieuw verworven leesvaardigheid kunnen onderhouden en versterken);
. 63 lokale microfinancieringsgroepen georganiseerd, waarvan 3.000 vrouwen lid zijn;
. een programma ontwikkeld dat in het voorjaar van 2010 van start gaat en zich richt op (a) professionalisering van de microfinancieringsorganisatie door de oprichting in 2011 van een Saving and Credit Co-operative die voldoet aan alle eisen van een Saving and Credit Union (daarmee verduurzaamt de investering in de lokale MF-groepen) en (b) het stimuleren en begeleiden van vrouwen naar nieuwe inkomengenererende activiteiten.
Zo concreet kan het PI haar resultaten benoemen. Dat is ook de waarde en het gezicht van het PI: kleinschalig, concrete resultaten en bijna tot op de Euro is de relatie te leggen tussen input en output.
Daarin onderscheiden professionele organisaties en PI zich ook van elkaar: sophisticated versus houtje touwtje. Grote organisaties moeten veel aandacht en energie besteden aan managementtools als planning, monitoring, rapportage en evaluatie. Deze tools brengen het grote gevaar met zich dat er een schijnwerkelijkheid ontstaat - zeker in ontwikkelingslanden waar het behoud van een baantje veel belangrijker is dan het bereiken van enig resultaat en dus het ophouden van de mooie schijn letterlijk van levensbelang is. Voor het PI gelden deze bijna wetmatigheden veel minder: er is geen sprake van dikbetaalde banen en andere statusverhogende emolumenten. Veel van het werk gebeurt door lokale vrijwilligersorganisaties en door mensen die echt iets willen doen voor de ontwikkeling van hun dorp of regio. Zij worden niet gedreven door behoud van salaris of sociale positie. En ze krijgen ook niet de kans zich te verschuilen achter mooie rapportages; daarvoor zit de Nederlandse sponsor ze veel te dicht op de huid. Die komt één of twee keer per jaar zelf kijken en vraagt akelig lang door over de gang van zaken. En als ze terug in Nederland zijn willen ze regelmatig bericht hebben over de voortgang van projecten en stellen ze via de mail veel lastige vragen.
Zouden die grote professionele organisaties ook weten wat er onder de mensen in de rurale gebieden in ontwikkelingslanden – ver van de grote stad waar zij hun kantoren hebben - leeft? Wat hun echte problemen zijn? Maar ook: weten ze welke oplossingen deze mensen zelf bedenken? Dat soort oplossingen zijn zelden erg dure oplossingen, gewoon omdat de mensen waar het om gaat denken in stuivers en dubbeltjes. Het zijn juist die grote professionele organisaties die in een ontwikkelingsland zorgen voor een enorme opwaartse druk op lokale salarissen en vergoedingen, waardoor projecten onnodig duur worden.
Verschillen in drijfveer (carrière versus persoonlijke zingeving), schaal (grootschalig versus kleinschalig), betrokkenheid (professioneel/zakelijk versus persoonlijk/emotioneel), afstand (planmatig volgens protocollen versus samen oplossingen zoeken) en risico (vele miljoenen versus enkele duizenden Euro’s verknoeit bij een misser) maken ontwikkelingswerk door professionals en het PI onvergelijkbaar. De één kan wat de ander niet kan en vice versa. Beide verdienen het om op een eerlijke en oprechte manier beoordeeld en benaderd te worden.
Het kind en het badwater
De aandacht van minister Koenders gaat vooral uit naar grote ontwikkelingsorganisaties (soms ook een wenkend perspectief voor na een ministerschap) en naar zogenoemde bilaterale hulp (rechtstreeks aan de regering van een ontwikkelingsland). Deze minister verschuift zijn budget ook meer in die richting. Hij miskent met zijn nieuwe beleidsregels het belang van het kleine PI. Eén van de pijlers van zijn beleid is het leggen van een brug tussen ontwikkelingen in het Noorden en in het Zuiden. Vroeger heette dat “draagvlakvergroting”. Gelukkig heeft deze minister het PI verlost van de volstrekt gekunstelde voorwaarden die eerder aan medefinanciering waren gekoppeld: niet het met een project te bereiken doel in het ontwikkelingsland stond centraal bij de subsidiebeoordeling maar de vraag of het project bijdroeg aan draagvlakvergroting in Nederland voor ontwikkelingssamenwerking.
De minister gaat nu veel geld investeren in een vernieuwd NCDO om de door hem gewenste brugfunctie te realiseren. Maar heeft de minister weleens het volgende rekensommetje gemaakt?
10.000 kleine PI organisaties, die worden geleid door zeer betrokken bestuursleden. Laat van die bestuursleden (met een gemiddelde van 4 bestuursleden: 40.000 mensen) nu eens de helft met regelmaat hun projecten ter plaatse bezoeken, dan levert dat jaarlijks 20.000 bezoeken op (dat is weinig want onze eigen stichting is twee keer per jaar met drie bestuursleden aanwezig in Nepal). In het betrokken ontwikkelingsland hebben zij intensieve en persoonlijke contacten met lokale uitvoeringsorganisaties en bewoners. Stel dat dat 50 persoonlijke contacten zijn (alleen al tijdens het laatste monitorbezoek in november/ december heeft onze organisatie ca. 350 gezinnen bezocht en 70 alfabetiseringsklassen met gemiddeld 25 deelnemers per klas), dan is al sprake van 1.000.000 persoonlijke contacten tussen Hier en Daar. Die krijgt de minister voor niks! Ongeletterde en ongeschoolde mensen uit bergdorpjes en van het platteland hebben die relaties niet met de grote ontwikkelingsorganisaties. Dat zijn voor hen onbereikbare “olifanten” (uitdrukking uit Nepal over grote ontwikkelingsorganisaties, vooral van de VN).
Die 10.000 kleine PI organisaties hebben allemaal een achterban van sponsors en vooral van kleine donateurs. Ieder PI zal contacten met de achterban onderhouden door nieuwsbrieven, een website, presentaties, e.d. Dat moeten ze wel om donateurs en sponsors betrokken te houden, maar ze doen het ook graag: ze zijn trots op hun activiteiten en vertellen daar graag over. Stel dat iedere organisatie 2 keer per jaar aan 100 relaties (dat is weinig, onze organisatie hanteert een verzendlijst met 450 adressen) een nieuwsbrief stuurt, dan bereiken zij jaarlijks twee keer 1.000.000 gezinnen. Als in die gezinnen zo’n nieuwsbrief ook nog onderwerp van gesprek is dan gaat het om een veelvoud van dat aantal. En daar komen dan ook nog eens de vele websites en weblogs bij, evenals de vele artikelen in plaatselijke bladen, waarin heet van de naald een beeld wordt geschetst van de weerbarstige praktijk van ontwikkelingswerk Daar en fondsenwervingsactiviteiten Hier.
Afstoting van het PI zou het beleid van de minister om een brug te slaan tussen het Zuiden en het Noorden weleens lelijk kunnen doorkruisen. Koesteren van het PI levert voor weinig geld waarschijnlijk veel betere resultaten op.
Verantwoording
Het PI kenmerkt zich door korte lijnen. Ook als het gaat om het afleggen van verantwoording. Het PI voelt zich moreel vooral verplicht om verantwoording af te leggen aan haar donateurs, de mensen die met maandelijkse bijdragen van € 5,-- of € 10,-- de bestaansbasis vormen van een stichting. Vaak brengen deze donateurs maar een heel klein deel in van de bedragen die een PI-organisatie besteedt in een ontwikkelingsland. Het overgrote deel van de fondsen komt van grote sponsors en medefinancieringsorganisaties aan wie het PI formeel verantwoording aflegt. Maar die laatste twee zijn veel anoniemer en ze werken met geld dat uit bedrijfswinsten of belastinggelden komt. Toekenning vindt plaats aan de hand van geobjectiveerde criteria. Heel anders is dat bij kleine donateurs die vanwege een persoonlijk gevoel en persoonlijke betrokkenheid (vaak kennen donateurs en bestuurleden van het PI elkaar) hun bijdrage leveren. Als de ontwikkelingsorganisatie voor hen anoniem wordt en bureaucratische trekjes vertoont, haken ze af. Zij verwachten van de organisatie die ze steunen ook een grote persoonlijke betrokkenheid, korte lijnen, ‘niet praten maar poetsen’ en vooral concrete resultaten. Verantwoording afleggen aan die kritische groep van donateurs is waar het in het PI echt om gaat. Door de korte lijnen houden de ontvangers in de ontwikkelingslanden ‘een gezicht’, zijn strijkstokken ondenkbaar en is verdoezeling van slechte resultaten onmogelijk.
Grote professionele ontwikkelingsorganisaties ontkomen niet aan een zekere bureaucratie inclusief een reeks managementtools. Zij leggen met dikke rapporten vol anonieme en statistische gegevens verantwoording af aan grote bureaucratische organisaties als een ministerie en uiteindelijk een Tweede Kamer.
Weer een klein sommetje.
Stel dat ieder van de 10.000 PI organisaties gesteund wordt door 50 structurele donateurs (onze organisatie heeft er bijna 100) dan legt het PI direct verantwoording af aan een ‘parlement’ met 500.000 leden.
De grote, professionele ontwikkelingsorganisaties leggen verantwoording af aan één minister en uiteindelijk aan 150 Tweede Kamerleden.
Good governance
Een aantal jaren geleden is ‘goed bestuur’ ingevoerd als criterium voor de selectie van landen die kunnen rekenen op Nederlandse steun. Zeer terecht als het gaat om de besteding van vele miljarden Euro’s belastinggeld. De ontwikkeling van een land staat of valt met een redelijk functionerende overheid. In een ontwikkelingsland is dat vooral een overheid die weinig corrupt is en kan waarborgen dat het grootste deel van het ontwikkelingsgeld ten goede komt aan betere levensomstandigheden van de bevolking. Zeer terecht ook dat Nederlandse belastingbetalers steigeren bij berichten dat VN-organisaties, waar ook Nederland veel aan bijdraagt, accepteren dat soms de helft van hun budgetten verdwijnen in zakken waarin het geld niet thuis hoort (alleen om maar aan het werk te kunnen blijven!). Daarmee houden ze bestaande corrupte machtsstructuren ook nog eens in stand.
Maar is het terecht dat dit criterium ook één op één wordt gehanteerd voor de verdeling van dat hele kleine beetje belastinggeld dat aan het PI wordt besteed? Zodat ook het PI gedwongen wordt de vaak allerarmste landen - en dus ook vaak de allercorruptste landen - te gaan mijden? Zou misschien juist hier een heel zinvol onderscheid gemaakt moeten worden tussen gelden die enerzijds besteed worden aan grote, professionele organisaties en aan bilaterale hulp en anderzijds aan het kleine PI?
Het kleine PI is vanwege de kleine schaal van haar werkzaamheden en de directe persoonlijke relaties die daar bij horen vaak in staat om buiten de greep van overheden in ontwikkelingslanden te blijven. In de dorpen vinden zij een directe bondgenoot in de bevolking. Onze ervaring is dat er in ontwikkelingslanden waar de eigen overheid weinig tot niets voor haar eigen inwoners doet, voor de bevolking maar één ding opzit: niet op de overheid wachten, maar zelf proberen problemen op te lossen. Directe steun van buiten kan daarbij van doorslaggevend belang zijn; om mensen bij te staan om over hun eigen toekomst na te denken, hun grootste problemen te benoemen en zelf met oplossingen te komen. En ze vervolgens te ondersteunen om die oplossingen ook te realiseren. Dan blijkt vaak dat er met heel beperkte middelen hele grote projecten mogelijk zijn. Doordat een project nooit helemaal wordt gefinancierd door de buitenlandse sponsor en deze zijn bijdrage vooral inzet om de bevolking te stimuleren zelf ook een bijdrage te leveren (en dan geldt dat vele kleintjes ook een grote maken). Vaak blijkt dan dat de bevolking recht heeft op een aanvullende bijdrage van de eigen overheid of de eigen overheid (lokaal, regionaal) onder druk zet om ook een bijdrage te leveren. Groot voordeel van deze benadering is ook dat het ondersteunde project direct aansluit bij de wensen en mogelijkheden van de mensen zelf. Ze zijn er volop bij betrokken en voelen zich verantwoordelijk voor het succes. Het risico van een misser is vele malen groter wanneer een professionele organisatie van buiten het gebied de mensen komt vertellen dat zij een oplossing komen brengen voor hun problemen en ook nog eens voor de financiering en de expertise zullen zorgen.
Het PI zou de kans moeten behouden om juist in de allerarmste landen en dus ook in landen met slecht overheidsbestuur kleinschalige projecten uit te voeren; in nauwe samenwerking met de bevolking. Om hen hoop te geven dat er ook voor hen een betere toekomst mogelijk is.
Dat hele kleine budget dat daarvoor beschikbaar is zou niet nog verder aan dwingende regels moeten worden gebonden die als resultaat hebben dat de inwoners van deze allerarmste landen totaal door Nederland in de steek gelaten worden. En wie informeert de Nederlandse burger dan nog op basis van eigen ervaringen over hoe het gaat met onze medeburger in het Zuiden buiten de partnerlanden van Koenders?
Wordt het echt “bye, bye en zie je maar te redden!” voor de allerarmsten?
Wilt u meer weten over de activiteiten van de stichting Sathsathai in Nepal? Kijk dan eens op www.sathsathai.com.